NRC datum: 28-07-2006 | sectie: Kunst | pagina: 09

Zie hoe de warmte de tijd uitzet
Lichtheid en traditie kenmerken het werk van menig debuterend dichter

Arie van den Berg


Er zijn experimentelen, maar ook genoeg dichters die klassieke poëtische waarden als ritme en binnenrijm verdedigen. Een selectie uit het jonge aanbod, die om méér vraagt.

Alle discussie over het bestaansrecht van de poëzie ten spijt, weet het genre zich in deze tijd van screenagers prima te handhaven. Een ongerijmd succes noemde de Amsterdamse literatuurprofessor Thomas Vaessens dat. Zijn standpunt is dan ook dat we onze gedachten over poëzie moeten bijstellen.

Wie de debuten van de laatste jaren naleest kan slechts constateren dat de dichters hun eigen weg blijven gaan, en doorgaans langs het oude spoor. Er zijn wel opvallende experimentelen, zoals Astrid Lampe en F. van Dixhoorn, maar de meeste poëten laten zich makkelijk in een literaire traditie plaatsen. Dit geldt zeker voor veel dichters die zich sinds vorig jaar in de stal van uitgeverij Nieuw Amsterdam hebben genesteld. Wim Brands en Gerry van der Linden bijvoorbeeld zijn geen omroepers van oproer of duivelse taalacrobaten, en dat geldt ook voor debutanten zoals Els Moors, Froukje van der Ploeg en Florence Tonk.

[Fragment:]

"[...] maakt nieuwsgierig naar meer.

Dat geldt ook voor Anders komen de wolven van Florence Tonk. Haar poëzie lijkt een regelrechte verdediging van klassieke poëtische waarden als ritme en binnenrijm. En ook inhoudelijk verzet ze zich tegen de kennissuprematie van wetenschap en internet. Google heeft een venster voor vragen, constateert ze in Oud peterseliewater, maar wat vindt de zoekmachine / over hen, mij en alle raadsels die/ door onze dagen hangen als slingers / zonder aanleiding of feest? Bitter weinig is het antwoord. Het is dan ook niet de kennis, maar het raadsel dat telt.

Dat ook een wetenschappelijk krantenbericht het raadsel vergroten kan en dan aanleiding geeft tot poëzie, blijkt in Dus wel. Astronomen vinden een kristal / ter grootte van onze maan / in het hart van een stervende witte dwerg, kopte een Engelse krant. Tonk maakte daar een gedicht van dat, al blijft het steken in de anekdote, haar nadrukkelijke neiging tot engagement toont. Het vaderlandse cliché wil dat politieke betrokkenheid in poëzie onmogelijk is, maar in Anders komen de wolven staan gedichten die die opvatting logenstraffen. Arm en rijk bijvoorbeeld, dat de globalistische tegenstelling lyrisch toonzet. Of Alimentatie, dat ijzerhard inzet met: Ze droeg zelfs hoge hakken / toen ze baarde // nu houdt ze huisspinnen / en de knieën bij elkaar / draagt weer haar meisjesnaam.

Toch zijn Tonks niet-politieke aardse verzen overtuigender. Lees Pastorale:

Er hangt een kraai in de lucht

als je me breekt

als je me steekt met het touw

dat klimt als ik fluit

bij de buren huilt een kalf

om zijn moeder

en ik lig in duizend delen

tussen de melkplassen

die in het blauwe uur

jouw kleine huis besluipen

wee je lange benen

als je vergeet

een stukje op te rapen

Pastorale heet het, maar hier klinkt een echo van de Goyescos van Hendrik de Vries. De dwingende Spaanse melodie daarvan klinkt ook in de vijf laatste verzen van Anders komen de wolven. Dat zijn dan ook dansverzen, deels naar de tangomuziek van Piazzolla. Geen grotesken hier maar, in Gemeen gedicht, toch even een vlijm op de keel: Ze kijkt als ze danst of ze neukt / ze kijkt als ze danst zoals ze denkt / dat men kijkt als men neukt / of ze kijkt alsof er iets klem zit / en hier beduusd van is."